Op dit deel van deze website staat een samenvatting van onderzoeksdata over de meervleermuis.
Meervleermuizen in Europa
De meervleermuis is een Noord-West Europese vleermuissoort. De westelijke grens van het verspreidingsgebied van de soort ligt in Nederland/ België. De oostelijke grens eindigt in Rusland, het is mogelijk dat het in Rusland een andere soort of ondersoort betreft. De meervleermuis heeft een opmerkelijk verspreidingspatroon, bestaande uit losse eilandjes met een hoge dichtheid aan dieren en daartussen een leefgebied met zeer lage dichtheden dieren. In het centrum van die eilanden bevinden zich over het algemeen de kraamverblijven, langs de randen de winterverblijven en mannenverblijven. We kunnen de volgende eilanden met hoge dichtheden meervleermuizen onderscheiden:
o A) Westelijk laagland (Nederland, België, Noord-west Duitsland (Niedersachsen))
o B) Jutland (Zuid-Zweden samen Noord Duitsland (Sleeswijk Holstein)
o C) centraal Europees merengebied (Polen, Wit-Rusland, Oost-Duitsland)
o D) Baltische staten (Estland, Letland, Litouwen)
o E) Oeralgebergte in Rusland (overwinteringsgebied)
o F) stroomgebied van de rivier de Wolga (Rusland)
o G) Hongarije en Roemenie
 
Onderzoeksgebied in Nederland
Tussen 2002 en 2014 zijn in zomer op meerdere plekken in Nederland verblijfplaatsen van meervleermuizen gezocht. Hierbij worden verschillende technieken toegepast: zoeken naar zwermende dieren, terugvolgen van routes en telemetrie (Haarsma & Tuitert, 2009). Alle drie de methodes zijn erg arbeidsintensief en worden uitgevoerd in samenwerking met vrijwilligers. De grijze vlakken in de figuur geven aan in welke gebieden onderzoek heeft plaats gevonden.
 
 
Verspreiding kraamverblijven
Een kaart met de verspreiding van de West-Europese meervleermuispopulatie. De kraamverblijven (rood) zijn voornamelijk gelegen in het centrum van het verspreidingsgebied (het laagland van Nederland), terwijl de mannen (blauw) langs de randen wonen (tot aan Duitsland en Belgie). In deze kaart is ook onderscheid gemaakt tussen oude (lege vakjes, niet meer bezet) en huidige (volle vakjes).
Omdat vrouwen in veel grotere groepen dan mannen wonen, geeft deze kaart ook een beeld van de dichtheid meervleermuizen in Nederland. Hoge dichtheden komen voor in de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland, Friesland, evenals in de moerasgebieden in Overijssel. Deze provincies vormen de kern van de zomerverspreiding van de vrouwelijke populatie. De meervleermuis bereikt de hoogste dichtheden bereiken in een gevarieerd landschap met veel grote en kleine plassen, vochtige kruidenrijke weilanden en een scala aan waterwegen die de natte gebieden onderling verbinden. Minder hoge dichtheden meervleermuizen worden in de zomer waargenomen in het Westelijk Laagland, de kust van Zuid-Holland en Noord-Holland, langs de rivieren (o.a IJssel, Maas, Waal, Schelde, Eems en Roer), langs de randen van het IJsselmeer, Eemsdelta en de Waddenkust (o.a. Wieringermeer, Noord-Oost Polder, Veluwerandmeren, Reitdiep) en langs de Zuid-Willemsvaart). In de provincies Groningen, Utrecht, Flevoland, Zeeland en de rivieren regio van Gelderland worden in de zomer ook vaak meervleermuizen waargenomen, maar over het algemeen in veel lagere dichtheden. Deze provincies vormen het leefgebied van zowel mannetjes als gemengde groepenvrouwtjes, en groepen mannetjes.
  
Verspreiding in de winter
In Nederland liggen in totaal een kleine 1800 winterverblijven (inclusief meer dan 250 mergelgroeven). De meervleermuis overwintert slecht in een kleine selectie van deze verblijven, met name een kluster langs de kust van Holland, Gelderland en Zuid-Limburg. Net als bij de meeste andere vleermuissoorten dient een winterverblijf ook als paarverblijf. Bij de meervleermuis (samen met de ruige dwergvleermuis de enige echt migrerende vleermuissoort in Nederland) heeft deze paarfunctie ook een consequentie voor de geslachts-ratio van dieren tijdens de winter. De vrouwelijke populatie overwintert in 'veilige verblijven' (zie ook volgende paragraaf), zoals mergelgroeven en natuurlijke grotten in Duitsland. De mannen hebben na het paarseizoen geen energie meer om te migreren en overwinteren lokaal. Zij worden waargenomen in bunkers langs migratieroutes naar het oosten (Duitsland) en zuiden (Frankrijk, Antwerpen en Zuid-Limburg).
 
 
Overwinteringstemperatuur
De meervleermuis heeft in de winter behoefte aan objecten met enige mate van klimaatbuffering (ten minste een deel van een object moet vorstvrij zijn). De hoogste dichtheden meervleermuizen worden waargenomen in objecten die gedurende de winter relatief snel afkoelen. Dit zijn objecten met een vrij grote ingang en mogelijkheid tot tocht (meerdere ingangen). Een versmalling halverwege een object heeft vaak een sterk stabiliserende werking op het binnen klimaat; de dichtheid meervleermuizen na een versmalling is vaak lager dan voor de versmalling. Gemiddeld overwintert de meervleermuis in bunkers bij een temperatuur van 8,1 graden en in mergelgroeven bij een temperatuur van 6,5 graden (note: het is onbekend of dit wordt veroorzaakt door geslacht gerelateerde voorkeuren). In mergelgroeven overwintert de meervleermuis relatief op koudere plekken dan in bunkers. De stippellijnen geven de uiterste temperatuurwaarden in de winter aan, een mergelgroeve heeft een veel bredere temperatuurrange en is daarom 'veiliger' (bij ongunstige hele warme of hele koude winters, beschikt het object over voldoende temperatuur variatie om toch veilig te kunnen overwinteren).
 
 
Kansenkaart of verwachtingskaart in de zomer
 Vleermuizen leven met zijn allen in één grote groep in het midden van hun voedselgebied. Elke nacht vliegt de hele groep uit. Ieder individu verzameld eigen voedsel (eten wordt niet gedeeld). De manier waarop vleermuizen in een groep leven is zeer bepalend voor de manier waarop ze zich over hun landschap verdelen. Dichterbij huis is de dichtheid vleermuizen het grootst (de omvang van het voedselgebied is het kleinst), hoe verder weg hoe meer voedselgebied en dus ook voedsel een individu tot zijn/haar beschikking heeft. Echter, hoe verder een vleermuis moet vliegen hoe meer energie nodig is om ook daadwerkelijk op die plek te komen.
Voor elke vleermuissoort bestaat een vaste relatie tussen de groepsgrootte, de minimale en maximale homerange van een groep en de kwaliteit van het voedselhabitat. Op basis van deze relatie is het mogelijk een verwachtingskaart te maken. In deze verwachtingskaart worden alleen waterwegen getoond. Meer informatie over verwachtingskaarten is te vinden onder deze link (Wolfshaar, K.E. van de & M. van Oorschot (2010). Factsheet meervleermuis. Deltares. http://public.deltares.nl)
Voor deze kaart zijn de volgende parameters gebruikt
1. Afstand vliegroute tot verblijf. Hoe dichter een vliegroute bij een vleermuisverblijf ligt, hoe groter het percentage van een lokale populatie van een vliegroute gebruik maakt.
2. Verlichting. Een onverlichte vliegroute heeft voor vleermuizen de hoogste waarde, hier voelen vleermuizen zich veiliger voor predatoren. De plaatsing van de verlichting ten opzichte van een waterweg heeft hierbij een duidelijk effect; d.w.z schijnt het licht naar een vliegroute toe of juist ervan af? Staat de lichtbron dichtbij of op enige afstand. Ten slotte heeft ook het type lichtbron een effect op het gedrag van vleermuizen.
3. De breedte en diepte van een waterweg. Ondiep water heeft een hoger aanbod insecten. Smal water groeit gedurende het seizoen soms vrijwel dicht, wat lastig manoeuvreren is. Ook begroeiing door waterplanten en kroos kan een negatieve invloed hebben op het foerageergedrag van vleermuizen.
8. De oevers van een waterweg. Een oever ruigtekruiden of riet biedt meer beschutting en bovendien ook meer insecten als een oever met kort gehouden gras. Een rietruigte in het water biedt ook beschutting tegen wind. Vaak is de diversiteit van insecten en daarmee het aanbod sterk gekoppeld aan de diversiteit van oeverplanten.
9. De beschoeiing van een waterweg. Een waterweg met beschoeiing heeft vaak geen ondiepe oeverzone en heeft daarmee een lager aanbod insekten. Tussen beschoeiing van natuurlijke materialen (stenen of palen) kunnen allerlei insecten leven.
De waarde van de waterwegen in Noord -en Zuid-Holland worden in deze kansenkaart getoond in 5 categorieen:
categorie-kleur  waarde % van populatie
 blauw  onbekend 
 geel  laag belang <10%
 oranje  matig belang 10-20%
 groen  belangrijk 20-30%
 rood  zeer belangrijk (essentieel voor populatie) > 30% vd populatie
ad
 
Kansenkaart of verwachtingskaart tijdens migratie
Een vergelijkbare kansenkaart als de waterkaart in de zomer. Echter hier zijn zowel vliegroutes over waterwegen (doorgetrokken lijnen) als vliegroutes over land (gestippelde lijnen) weergegeven. Op deze kaart staan alleen routes weergegeven die dienen als lange afstand migratie routes tussen zomer en winterverblijf.